Klik

Detailfoto

Elektrisch aangedreven rotoren, voorzien van messen, verpulpen in enkele minuten zware celstofbalen van meer dan 200 kg tot een verpompbare grondstof. Deze slurry ondergaat vervolgens nog diverse bewerkingen voordat er papier van gemaakt wordt.

5. Milieubelasting

 
5.1 Grondslagen

5.2 Productie en grondstoffenverbruik

5.3 Energieverbruik

5.4 Watergebruik

5.5 Afvalstoffen

5.6 Emissies naar de lucht

5.7 Emissies naar het water

5.8 Bodem

5.9 Milieuklachten

5.10 Milieumeldingen

5.11 Milieu-inspecties

5.12 Milieukosten

 

 

 

5.1 Grondslagen

In dit hoofdstuk wordt de milieubelasting van 2001 beschreven en vergeleken met voorgaande jaren, waarbij belangrijke veranderingen worden verklaard.
Opgenomen zijn die milieugegevens die significant zijn omdat CVG deze jaarlijks rapporteert in het getalsmatige deel van het overheidsverslag (in het kader van het Besluit milieuverslaglegging) of die het bedrijf van belang vindt voor eigen medewerkers, overheidsinstanties, afnemers en buurtbewoners.

De emissies en indexen zijn weergegeven voor de jaren 1985 (het basisjaar van de Intentieverklaring uitvoering milieubeleid papier- en kartonindustrie, zie paragraaf 3.5), 1995 (het basisjaar voor het BMP 1996-1999), 1999 (het basisjaar voor het BMP 2000-2003), 2000 en 2001. Het energieverbruik is daarop een uitzondering, omdat de Meerjarenafspraak energiebesparing als basisjaar 1989 heeft en het Convenant benchmarking energie-efficiency het basisjaar 1998.

 

 

5.2 Productie en grondstoffenverbruik

CVG heeft in 2001 ruim 179.500 ton papier geproduceerd, 2,3 procent meer dan in 2000. In onderstaande tabel staan de belangrijkste gegevens van de papierproductie en het verbruik van grond- en hulpstoffen. De lagere hulpstoffeninzet is te danken aan de overgang naar het neutrale proces.

  eenheid 2001 2000 1999 1995 1985 3
Celstof 1 ton 128.272 128.464 124.654 115.677 n.b.2
Vulstoffen 1 ton 33.803 30.019 30.151 23.160 n.b.2
Hulpstoffen 1 ton 9.896 11.867 12.083 9.983 n.b.2
Netto verkoopbare productie ton 179.500 175.500 171.300 154.200 77.400

1 Absoluut droge tonnen in tegenstelling tot netto verkoopbare productie.
2 Niet beschikbaar
3 In 1985 was alleen PM 2 in bedrijf. PM 1 is opnieuw opgestart in oktober 1987, nadat deze in juli 1981 buiten bedrijf was gesteld.

 

 

5.3 Energieverbruik

Voor de productie van papier is veel energie nodig in de vorm van stoom en elektriciteit. Stoom is nodig om het papier met stoomverwarmde droogcilinders te drogen, en elektriciteit om alle productie-installaties aan te drijven.
In het eigen energiebedrijf, een aardgasgestookte WKC, is sinds 1984 de productie van stoom en elektriciteit gekoppeld, met behulp van een gasturbine en een stoomturbine. Dit principe wordt warmtekrachtkoppeling genoemd en heeft een hoog thermisch rendement (circa 83 procent).
De WKC produceert 28 MW elektriciteit en jaarlijks circa 600.000 ton stoom van 7 bar werkdruk. Gemiddeld wordt circa 13 MW elektriciteit aan het openbare net teruggeleverd. Door het hoge rendement van de WKC betekent deze teruglevering een wezenlijke bijdrage aan het landelijke beleid tot reductie van CO2- en NOx-emissies.

  eenheid 2001 2000 1999 1998 1989
Aardgas miljoen m3 88,5 86,5 85,3 81,7 74,0
Elektriciteit
- zelf opgewekt MWh 240.644 237.774 239.944 236.892 223.305
- ingekocht MWh 173 394 342 301 806
- teruggeleverd MWh 107.826 108.258 115.168 114.639 119.355
- totaal verbruikt MWh 132.991 129.910 125.118 122.554 104.756
Elektriciteits-
verbruik per
ton papier
kWh/ton 754 752 737 764 -
Totaal
energieverbruik
per ton papier
GJ/ton 10,9 10,7 10,3 10,2 -
Energie-
efficiency-index (incl. WKC)
1
- 105,2 104,2 99,8 100,0 -
Energie-
efficiency-index (papierproductie)
2
- 101,0 99,6 98,5 100,0 -
Netto verkoopbare productie ton 179.500 175.500 171.300 166.400 104.700

1 De energie-efficiencyindex (EEI) is een maatstaf voor het totale energieverbruik per ton geproduceerd verkoopbaar papier. Met ingang van 2001 wordt 1998 als referentiejaar gehanteerd, waarbij de EEI over 1998 op 100 wordt gesteld. Dit houdt verband met de deelname van CVG aan het Convenant benchmarking energie-efficiency. De methode voor het bepalen van de EEI is ontwikkeld door Gasunie en geaccordeerd door het Verificatiebureau Benchmarking Energie-efficiency. Hierbij wordt de elektriciteitsteruglevering aan het openbare net meegerekend. Deze methode komt in de plaats van de berekeningsmethode die in het kader van de Meerjarenafspraak energiebesparing is gebruikt en waarvan 1989 het referentiejaar vormde (zie milieujaarverslag 2000). Bij een EEI kleiner dan 100 is sprake van een verbeterde energie-efficiency.

2 Dit is de EEI van de papierproductie, dus exclusief het effect van de WKC. Door een gewijzigde meetmethode wijken enkele getallen licht af van waarden die in het milieujaarverslag 2000 gerapporteerd zijn.

Over de jaren 2000 en 2001 is een opgaande lijn in energieverbruik zichtbaar.
Hoofdoorzaken hiervan zijn:

  • Gelijkblijvende (maximale) elektriciteitsopwekking in de WKC bij een stijgende papierproductie, waardoor minder elektriciteit aan het openbare net kan worden geleverd. Uit de verschillen tussen de EEIpapierproductie en EEIincl. WKC kan worden afgeleid dat dit een majeur effect heeft en dat de ontwikkeling van de warmtekrachtverhouding geen gelijke tred houdt met de papierproductie.
  • Door de overgang naar neutraal proces heeft CVG in het eerste halfjaar van 2001 een periode doorgemaakt met meer ongeplande stilstanden en met meer interne afkeur. De brutoproductie is met meer dan 4 procent gestegen, terwijl de netto verkoopbare productie met 2 procent steeg.

 
   

5.4 Watergebruik

Als proceswater gebruikt CVG oppervlaktewater uit de Rijn, dat via het leidingnet van de N.V. Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland naar Velsen getransporteerd wordt. Binnen de watersystemen van de papierfabriek wordt het proceswater vele malen hergebruikt, waarna het wordt afgevoerd naar de eigen AWZI. CVG gebruikt geen grondwater en draagt dus niet bij aan de verdrogingsproblematiek.

Het koelwater voor de condensor en koeler van de WKC, en voor de condensors van de papiermachines, wordt onttrokken aan het Noordzeekanaal. Het koelwater wordt door condensors gepompt en daar opgewarmd, en vervolgens vloeit het weer naar het Noordzeekanaal terug. Alleen wanneer de temperatuur van het kanaalwater hoger is dan 10 °C, wordt chloorbleekloog aan het koelwater toegevoegd om te voorkomen dat het koelsysteem dichtslibt door biologische aangroei. De doseerinstallatie voor chloorbleekloog is eind 2000 vernieuwd en zodanig aangepast dat beide koelwatersystemen de juiste concentratie chloorbleekloog krijgen gedoseerd. Hierdoor is een lagere totaaldosering mogelijk. De gebruikte hoeveelheid chloorbleekloog in 2001 was 8.585 kg, wat op hetzelfde niveau ligt als in 2000. De oorzaak hiervan is dat door de lange nazomer het koelwater lang boven de 10 °C is gebleven, zodat er tot eind november moest worden gedoseerd. In 2001 werd er in totaal 218 dagen gechloreerd, terwijl er in 2000 slechts 182 dagen werd gedoseerd, deels door een defecte doseerpomp. Dit betekent dat het chloorbleekloogverbruik in 2001 circa 20 procent is verminderd. Eind 2001 zijn een aantal proceswaterstromen (in gebruik als koelwater) naar verzameltanks geleid, zodat ze in het proces konden worden hergebruikt. Hierdoor wordt voor 2002 een vermindering van het proceswatergebruik met circa 10 procent verwacht.

Klik voor een grotere versie

Grotere versie

Watergebruik per ton papier

  eenheid 2001 2000 1999 19951 1985
Proceswater miljoen m3 3,47 3,36 3,30 2,97 2,21
Watergebruik per ton papier m3/ton 19,3 19,4 19,3 19,2 28,6
Koelwater miljoen m3 15 15 15 10 4
Chloorbleekloog2 kg 8.585 8.440 9.520 11.400 03

1 Het koelwater van de condensors voor de papiermachines wordt sinds 1995 onttrokken aan het Noordzeekanaal. Het gebruik van voorgereinigd oppervlaktewater uit de Rijn of het IJsselmeer verminderde hierdoor met circa 1,3 miljoen m3 per jaar.

2 Concentratie actief chloor in chloorbleekloog 150 g/lt.

3 In 1993 is de chloorgasdruktank vervangen door een chloorbleekloogdoseerinstallatie.

 

 

5.5 Afvalstoffen

CVG probeert door preventie de afvalstromen zoveel mogelijk te minimaliseren. De stromen die toch ontstaan, worden zoveel mogelijk gescheiden ingezameld om ze optimaal te kunnen hergebruiken. In het overzicht zijn de belangrijkste stromen vermeld. De sterke afname van primair slib komt voornamelijk door een betere beheersing van de stofverliezen in de papierfabriek en vooral door optimalisatie van de stofterugwinningsinstallaties van beide papiermachines.

Bij onze afnemer van primair slib is tijdens een inspectie door de provincie Noord-Holland een te hoog gehalte aan minerale olie vastgesteld. Hierover werd CVG in oktober 2000 geïnformeerd en vanaf dat moment is het primair slib afgevoerd naar de stortplaats Nauerna. CVG wil echter het primair slib weer zo snel mogelijk als antistuifmiddel in de landbouw kunnen afzetten en heeft daartoe op uitgebreide schaal maatregelen genomen om de olieverliezen te beperken. Desondanks voldoet het slib nog steeds niet aan de norm.
Tegelijkertijd zoekt CVG voor het slib naar alternatieve afzetmogelijkheden.
De hoeveelheid afgevoerd biologisch slib (en kalk) is aanzienlijk gedaald, doordat de AWZI minder belast werd. Dit had twee redenen: de invoering van het neutrale proces, en een tijdelijk defect aan de kalkbijmenginstallatie.

  eenheid 2001 2000 1999 1995 bestemming
Primair slib
(vezels + klei)
ton 3.176 4.306 4.022 1.158 landbouw
/stort
1
Biologisch slib ton 855 1.521 1.093 1.079 landbouw 2
Oudpapier en karton ton 468 459 418 305 hergebruik
Gevaarlijk afval 3 ton 8 9 24 14 verbranding
Afgewerkte olie ton 178 4 37 175 4 41 hergebruik
Hout ton 29 29 27 28 hergebruik
IJzer ton 407 423 694 433 hergebruik
Non-ferrometalen ton 26 18 19 6 hergebruik
Kunststoffen ton 27 7 18 17 hergebruik
Overig bedrijfsafval ton 117 114 132 116 verbranding

1 Het primair slib wordt sinds oktober 2000 afgevoerd naar stortplaats Nauerna.

2 Het biologisch slib wordt gemengd met kalk en gebruikt als meststof in de landbouw..

3 Poetsdoeken, accu’s, tl-buizen, laboratoriumafval (chemicaliën), klein chemisch afval toners, batterijen).

4 In 2001 is 164 ton (en in 1996 166 ton) oliehoudend water (<1%) afgevoerd dat afkomstig was van het schoonmaken van de ruimtes onder de papiermachines. Het water is door een erkend verwerker afgevoerd.

 
   

5.6 Emissies naar de lucht

Emissies naar de lucht zijn afkomstig van de WKC, omdat hier voor het opwekken van energie aardgas wordt verbrand. De gegevens zijn weergegeven in de navolgende tabel.
Om de NOx-uitstoot te verminderen is de gasturbine in 1989 voorzien van een stoominjectiesysteem. In mei 2001 is door een gecertificeerd meetinstituut een omvangrijk programma uitgevoerd voor het vaststellen van de NOx-uitstoot onder wisselende belasting van de WKC. De hieruit voortkomende uitworpkarakteristiek en de elektronisch gemeten emissierelevante parameters worden in een computer ingevoerd die continu kwartiergemiddelde waarden van de NOx-emissie bepaalt. De kwartiergemiddelde waarden worden omgerekend naar een 24-uursgemiddelde en een NOx-vracht (kg/dag). Met dit systeem wordt voldaan aan de voorwaarden en eisen die in BEES zijn vastgelegd voor het bepalen van de NOx-uitworp (zie ook paragraaf 4.2).
In 2001 was de NOx-emissie 9 procent hoger dan in 2000, als gevolg van de nieuwe uitworpkarakteristiek en het 5,5 procent hogere aardgasverbruik.

Klik voor een grotere versie

Grotere versie

NOx uitstoot per ton papier

  eenheid 2001 2000 1999 1995 1985
CO2 1 kton 153 150 148 174 105
CO 1,2 ton 48 55 65 489 60
SO2 3 ton 0 0 0 0 0
NOx 1
- totaal ton 212 195 187 243 534
- relatief (limiet 83 g/GJ) g/GJ 77 73 71 81 230
- netto-CVG-aandeel 3 ton 178 163 154 162 352

1 De emissies van CO, CO2 en NOx worden berekend met behulp van zogenoemde emissiekarakteristieken, die door een erkend meetinstituut eens per drie jaar worden vastgesteld als functie van emissierelevante parameters. In mei 2001 is dit opnieuw gebeurd.

2 In december 1995 is de toevoer van de verbrandingslucht naar de stoomketelbranders aangepast, waardoor de CO-emissie aanzienlijk is verminderd.

3 Aardgas bevat geen zwavelverbindingen en er wordt dus geen zwaveldioxide (SO2) uitgestoten.

4 Dit is de NOx-emissie die direct verband houdt met het eigen energieverbruik, dus exclusief de energie die geleverd wordt aan het openbare net.

 
 

5.7 Emissies naar het water

Het proceswater wordt vele malen hergebruikt voordat het afgevoerd wordt naar de eigen AWZI. De eerste trap (fysisch-chemische zuivering) is in bedrijf sinds januari 1990 en de tweede trap (biologische zuivering met behulp van oxidatiebedden) sinds november 1993. Vergeleken met 1985 zijn hierdoor de geloosde hoeveelheden zwevende stof, het chemisch zuurstofverbruik (CZV) en het biochemisch zuurstofverbruik na vijf dagen (BZV5) sterk afgenomen.
Deze stoffen vormen de zogenoemde resthoeveelheid, die overblijft na biologische reiniging. Omdat stikstof en fosfor als nutriënten voor het biologische reinigingsproces worden toegevoegd aan het influent van de oxidatiebedden, is de lozing hiervan sinds 1993 toegenomen.
De zware metalen in het effluent (zie tabel hieronder) zitten in hoofdzaak al in het aangevoerde oppervlaktewater; de bijdrage van CVG is verwaarloosbaar.

De biologische trap van de AWZI is vanaf oktober 1998 door een aantal oorzaken uit balans geraakt, waardoor vanaf maart 1999 de lozingseisen uit de Wvo-vergunning overschreden werden. BRCC Milieu, een groep consultants op het gebied van biologische afvalwaterzuivering, heeft de oorzaken onderzocht en maatregelen ter verbetering voorgesteld (zie ook het milieujaarverslag 1999). Vanaf mei 1999 is een geleidelijke verbetering zichtbaar in de zuiveringsrendementen van de AWZI en vanaf juni 2000 werd weer vrijwel continu aan de lozingseisen voldaan. Sinds de invoering van het neutrale proces, begin 2001, is de biologische zuivering sterk verbeterd. Aan de lozingseisen wordt ruim voldaan. Dit is mede te danken aan een nieuw kationisch polymeer in de voorbezinker, waardoor een hoger verwijderingsrendement wordt behaald.

Het chloride in het effluent is voor ongeveer 60 procent al aanwezig in het
proceswater dat afkomstig is uit de Rijn (circa 250 ton). De overige bronnen zijn de volgende hulpstoffen: zoutzuur voor regeneratie van de demineralisatieinstallatie, natriumchloride voor verhoging van de geleidbaarheid van papiersoorten geschikt voor laserprinting, ijzerchloride als nutriënt bij de AWZI en polyaluminiumchloride als stoorstofvanger. Het resterende deel chloride (circa 90 ton) wordt waarschijnlijk gewassen uit de celstof.


Klik voor een grotere versie

Grotere versie

Effluentbelasting

  eenheid 2001 2000 1999 1998 1997
Gezuiverd proceswater miljoen m3 2,91 2,98 2,78 2,63 2,39
Zwevende stof 1 ton 41 62 72 62 57
CZV 1 ton 257 326 502 262 251
BZV5 1 ton 55 88 189 76 62
Totaal stikstof 1 ton 18 27 35 21 22
Totaal fosfor 1 ton 4,9 8,1 9,5 3,8 3,7
Chloride 1 ton 430 449 327 316 347
Arseen 2 kg 0 7,0 4,3 2,5 1,0
Cadmium 2 kg 0 0 0 0 0
Chroom 2 kg 3,2 5,0 0,9 5,8 4,5
Koper 2 kg 20 7,9 25 17 9,7
Kwik 2 kg 0 0,19 0,13 0,11 0
Lood 2 kg 0 0 22 0 0
Nikkel 2 kg 6,6 8,0 10 16 13
Zink 2 kg 28 89 37 33 30

1 Jaaremissie op basis van etmaalmonsters en analyses uitgevoerd door CVG. De concentraties aan zwevende stof, CZV en stikstof in het effluent worden dagelijks gemeten en de overige parameters minimaal eenmaal per week.

2 Jaaremissie op basis van zes steekmonsters van RWS en analyses uitgevoerd door het RIZA (kwik is twaalfmaal bemonsterd). CVG heeft viermaal een analyse van zware metalen laten uitvoeren.

 
 

5.8 Bodem

In 1991 heeft CVG op het gehele bedrijfsterrein een verkennend onderzoek laten uitvoeren naar mogelijke oude bodemverontreinigingen. Hierbij is op één plaats een stookolieverontreiniging aangetroffen waarvan aard en diepte in een nader onderzoek zijn vastgesteld. In verband met nieuwbouwprojecten is in de periode 1987-1998 de bodem onderzocht op nog eens zeven plaatsen. Twee plaatsen bleken verontreinigd te zijn door olie, en zijn vervolgens gesaneerd.
In 1998 is een deelnemersovereenkomst met BSB Noord-Holland getekend en zijn de uitslagen van alle bodemonderzoeken overhandigd. BSB heeft naar aanleiding hiervan in 1999 vastgesteld dat één olieverontreiniging voor februari 2004 verder moet worden onderzocht en dat één olieverontreiniging in 2015 moet zijn gesaneerd.
Krachtwerktuigen Bedrijfsadviseurs heeft in 1999 voor CVG een bodemrisicodocument opgesteld waarin het risico wordt ingeschat dat de bodem door de activiteiten van CVG wordt verontreinigd. De maatregelen die in dit document worden voorgesteld – het aanbrengen van opvangbakken onder diverse pompen, vul- en tappunten, en regelmatige inspectie van het riool – zijn opgenomen in het BMP 2000-2003.

 
 

5.9 Milieuklachten

De bij CVG geregistreerde externe klachten zijn als volgt te onderscheiden:

  eenheid 20011 20001 19991 19982 19972
Geurklachten aantal 2 3 213 2 7
Geluidsklachten aantal 0 0 1 0 0
Klachten over AWZI-vliegjes aantal 0 0 5 0 2
Overige klachten aantal 0 0 3 0 0

1 Deze aantallen zijn optelsommen van de meldingen die zijn binnengekomen bij de milieuklachtentelefoon en bij CVG..

2 Klachten uitsluitend binnengekomen bij CVG.

3 Acht geurklachten zijn afkomstig van passanten en vallen buiten de definitie van geurhinder zoals opgenomen in de Wet milieubeheervergunning.

De milieuklachten berustten in het verleden hoofdzakelijk op de geuroverlast die veroorzaakt werd door de AWZI. De geuremissie ontstaat in de zuurstofarme delen van de biologische trap en de buffertank van de AWZI, doordat anaërobe bacteriën het onaangenaam ruikende waterstofsulfide (H2S) produceren.
In 2001 is de papierproductie in stappen geheel overgegaan op neutraal proces, waarbij geen sulfaten worden gebruikt. Het aantal geurklachten is in 2001 gedaald tot twee.

Door de betere werking van de voorbezinker is ook de kwaliteit verbeterd van het water dat naar de biologische bedden gaat. Hierdoor komt er minder vezelig materiaal mee en ontstaat er minder schimmelgroei in de oxidatiebedden.
Ondanks de reductie van het aantal schimmels, die als voedsel fungeren voor kleine vliegjes, worden er nog steeds af en toe vliegjes rond de oxidatiebedden gesignaleerd, maar in 2001 zijn ze geen aanleiding voor klachten geweest.
Ook wordt in de zomermaanden maandelijks een biologisch preparaat toegepast om te verhinderen dat de vliegjes zich voortplanten.

 
 

5.10 Milieumeldingen

CVG is verplicht om aan de overheid afwijkende situaties te melden, evenals de eventuele effecten daarvan op het milieu en de maatregelen die worden getroffen om herhaling te voorkomen. De aantallen meldingen waren als volgt:

  eenheid 2001 2000 1999 1998 1997
Afwijkende lozingssituatie aantal 3 3 9 8 3
Storing stoominjectie aantal 1 9 1 1 2
Geuroverlast aantal 0 0 2 0 0
Overige meldingen aantal 1 3 2 0 0


Afwijkende lozingssituaties

  • Tijdens een grote schoonmaakstop in mei is in een korte tijd relatief veel stof afgelaten die de voorbezinktank niet kon verwerken (137 VE). Hierdoor is de ruimer van de voorbezinktank vastgelopen en is er effluent overgestort naar het Noordzeekanaal.
  • Toen de ruimer de eerste keer is vastgelopen, is er schade aan de aandrijving ontstaan die toen niet is onderkend, zodat de ruimer nog een tweede keer is vastgelopen (september, 138 VE). Bij die gelegenheid is na diepgaand onderzoek de oorzaak gevonden en hersteld. Begin 2002 zal de constructie van de aandrijving verbeterd worden, wat de kans op herhaling vermindert.
  • Door een storing aan de procescomputer van de besturing van de AWZI is deze een aantal uren uit bedrijf geweest, waardoor overgestort is naar het Noordzeekanaal (5 VE). De oorzaak was op dat moment niet duidelijk. Later bleek bij een onderhoudsbeurt van de procescomputer dat de elektrische voeding niet geheel betrouwbaar was, zodat dit de storing veroorzaakt kan hebben.

Storing stoominjectie

  • Het stoominjectiesysteem dat de NOx-uitstoot terugdringt, is drie uur lang uitgevallen door een defecte klepstandsteller in het regelsysteem van de installatie.
    Deze is vervolgens vervangen. De storingstijd is in 2001 aanmerkelijk verbeterd ten opzichte van 2000, toen de totale storingstijd 142 uur bedroeg (vergunde storingsduur is maximaal 250 uur per jaar).

Overige meldingen

  • Tijdens het lossen van hulpstoffen op het terrein van CVG is een dieselolieleiding van een vrachtwagen gaan lekken. Dit is zeer snel geconstateerd, waardoor het verlies aan olie beperkt bleef tot circa 3 liter; hierbij is geen olie in het riool terechtgekomen.

 
 

5.11 Milieu-inspecties

  • In 2001 heeft de handhavingsinspecteur van de provincie Noord-Holland eenmaal een controlebezoek gebracht aan CVG om de restpunten te controleren die geconstateerd waren bij een voorgaande controle in het kader van de externe veiligheid. Alle punten waren naar tevredenheid opgelost.

  • Handhavingsinspecteurs van RWS hebben CVG in 2001 twaalfmaal bezocht om het effluent en het koelwater te bemonsteren. Hierbij werden geen bijzonderheden gerapporteerd.

 
   

5.12 Milieukosten

CVG beschouwt de volgende posten als milieukosten:

  • heffingen die de overheid oplegt op grond van emissies;
  • kosten van milieu-installaties (afschrijving, rente, onderhoud);
  • externe kosten die voornamelijk als milieukosten te karakteriseren zijn, zoals afvoer- en reinigingskosten van milieubelastende afvalstoffen en materialen, en kosten van het milieujaarverslag.

De milieukosten worden als volgt onderverdeeld (EUR x 1000):

  2001 2000 1999 1998
Heffingen op aardgas en elektriciteit 331 626 602 560
Verontreinigingsheffing op effluent 222 240 401 222
Kosten slibafvoer 377 289 169 109
Kosten afvoer overige restmaterialen 9 9 41 50
Kosten onderhoud milieu-installaties 393 347 360 284
Kosten (variabel) stoominjectie voor NOx-reductie WKC 311 252 63 165
Kosten afschrijving en rente milieu-installaties2 519 487 532 560
Overige milieukosten3 51 76 27 30
Totale milieukosten 1.715 2.327 2.195 1.978

1 De heffingen op aardgas zijn in 2001 alleen van toepassing op het aardgasverbruik van de infrarooddrooginstallaties

2 Deze installaties zijn in hoofdzaak gebouwd om te voldoen aan milieu-eisen.
Doel: (1) minder verontreiniging door emissies en afvalstoffen;
(2) bescherming van het leefklimaat buiten het bedrijfsterrein.

3 Exclusief (1) de uren van eigen personeelsleden die milieuzorg niet als hoofdtaak hebben;
(2) de milieu-uitgaven die behoren bij de inkoop van diensten en materialen
en die integraal deel uitmaken van de inkoopprijs.


Naar 'Hoe maakt Crown Van Gelder papier?' Naar 'Energieverbruik in het papierproductieproces'

 

   
milieujaarverslag.com
Van der Molen Environmental Internet Services