Elektrisch aangedreven rotoren, voorzien van messen, verpulpen in enkele minuten zware celstofbalen van meer dan 200 kg tot een verpompbare grondstof. Deze slurry ondergaat vervolgens nog diverse bewerkingen voordat er papier van gemaakt wordt. |
5. Milieubelasting 5.1 Grondslagen 5.2 Productie en grondstoffenverbruik
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5.1 Grondslagen In dit hoofdstuk wordt de milieubelasting van 2001 beschreven en vergeleken met voorgaande jaren, waarbij belangrijke veranderingen worden verklaard. De emissies en indexen zijn weergegeven voor de jaren 1985 (het basisjaar van de Intentieverklaring uitvoering milieubeleid papier- en kartonindustrie, zie paragraaf 3.5), 1995 (het basisjaar voor het BMP 1996-1999), 1999 (het basisjaar voor het BMP 2000-2003), 2000 en 2001. Het energieverbruik is daarop een uitzondering, omdat de Meerjarenafspraak energiebesparing als basisjaar 1989 heeft en het Convenant benchmarking energie-efficiency het basisjaar 1998. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5.2 Productie en grondstoffenverbruik CVG heeft in 2001 ruim 179.500 ton papier geproduceerd, 2,3 procent meer dan in 2000. In onderstaande tabel staan de belangrijkste gegevens van de papierproductie en het verbruik van grond- en hulpstoffen. De lagere hulpstoffeninzet is te danken aan de overgang naar het neutrale proces.
1 Absoluut droge tonnen in tegenstelling tot netto verkoopbare productie. |
5.5 Afvalstoffen CVG probeert door preventie de afvalstromen zoveel mogelijk te minimaliseren. De stromen die toch ontstaan, worden zoveel mogelijk gescheiden ingezameld om ze optimaal te kunnen hergebruiken. In het overzicht zijn de belangrijkste stromen vermeld. De sterke afname van primair slib komt voornamelijk door een betere beheersing van de stofverliezen in de papierfabriek en vooral door optimalisatie van de stofterugwinningsinstallaties van beide papiermachines. Bij onze afnemer van primair slib is tijdens een inspectie door de provincie Noord-Holland een te hoog gehalte aan minerale olie vastgesteld. Hierover werd CVG in oktober 2000 geïnformeerd en vanaf dat moment is het primair slib afgevoerd naar de stortplaats Nauerna. CVG wil echter het primair slib weer zo snel mogelijk als antistuifmiddel in de landbouw kunnen afzetten en heeft daartoe op uitgebreide schaal maatregelen genomen om de olieverliezen te beperken. Desondanks voldoet het slib nog steeds niet aan de norm.
1 Het primair slib wordt sinds oktober 2000 afgevoerd naar stortplaats Nauerna. 2 Het biologisch slib wordt gemengd met kalk en gebruikt als meststof in de landbouw.. 3 Poetsdoeken, accus, tl-buizen, laboratoriumafval (chemicaliën), klein chemisch afval toners, batterijen). 4 In 2001 is 164 ton (en in 1996 166 ton) oliehoudend water (<1%) afgevoerd dat afkomstig was van het schoonmaken van de ruimtes onder de papiermachines. Het water is door een erkend verwerker afgevoerd. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
5.6 Emissies naar de lucht Emissies naar de lucht zijn afkomstig van de WKC, omdat hier voor het opwekken van energie aardgas wordt verbrand. De gegevens zijn weergegeven in de navolgende tabel. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
NOx uitstoot per ton papier |
1 De emissies van CO, CO2 en NOx worden berekend met behulp van zogenoemde emissiekarakteristieken, die door een erkend meetinstituut eens per drie jaar worden vastgesteld als functie van emissierelevante parameters. In mei 2001 is dit opnieuw gebeurd. 2 In december 1995 is de toevoer van de verbrandingslucht naar de stoomketelbranders aangepast, waardoor de CO-emissie aanzienlijk is verminderd. 3 Aardgas bevat geen zwavelverbindingen en er wordt dus geen zwaveldioxide (SO2) uitgestoten. 4 Dit is de NOx-emissie die direct verband houdt met het eigen energieverbruik, dus exclusief de energie die geleverd wordt aan het openbare net. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
5.7 Emissies naar het water Het proceswater wordt vele malen hergebruikt voordat het afgevoerd wordt naar de eigen AWZI. De eerste trap (fysisch-chemische zuivering) is in bedrijf sinds januari 1990 en de tweede trap (biologische zuivering met behulp van oxidatiebedden) sinds november 1993. Vergeleken met 1985 zijn hierdoor de geloosde hoeveelheden zwevende stof, het chemisch zuurstofverbruik (CZV) en het biochemisch zuurstofverbruik na vijf dagen (BZV5) sterk afgenomen. De biologische trap van de AWZI is vanaf oktober 1998 door een aantal oorzaken uit balans geraakt, waardoor vanaf maart 1999 de lozingseisen uit de Wvo-vergunning overschreden werden. BRCC Milieu, een groep consultants op het gebied van biologische afvalwaterzuivering, heeft de oorzaken onderzocht en maatregelen ter verbetering voorgesteld (zie ook het milieujaarverslag 1999). Vanaf mei 1999 is een geleidelijke verbetering zichtbaar in de zuiveringsrendementen van de AWZI en vanaf juni 2000 werd weer vrijwel continu aan de lozingseisen voldaan. Sinds de invoering van het neutrale proces, begin 2001, is de biologische zuivering sterk verbeterd. Aan de lozingseisen wordt ruim voldaan. Dit is mede te danken aan een nieuw kationisch polymeer in de voorbezinker, waardoor een hoger verwijderingsrendement wordt behaald. Het chloride in het effluent is voor ongeveer 60 procent al aanwezig in het |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Effluentbelasting |
1 Jaaremissie op basis van etmaalmonsters en analyses uitgevoerd door CVG. De concentraties aan zwevende stof, CZV en stikstof in het effluent worden dagelijks gemeten en de overige parameters minimaal eenmaal per week. 2 Jaaremissie op basis van zes steekmonsters van RWS en analyses uitgevoerd door het RIZA (kwik is twaalfmaal bemonsterd). CVG heeft viermaal een analyse van zware metalen laten uitvoeren. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5.8 Bodem In 1991 heeft CVG op het gehele bedrijfsterrein een verkennend onderzoek laten uitvoeren naar mogelijke oude bodemverontreinigingen. Hierbij is op één plaats een stookolieverontreiniging aangetroffen waarvan aard en diepte in een nader onderzoek zijn vastgesteld. In verband met nieuwbouwprojecten is in de periode 1987-1998 de bodem onderzocht op nog eens zeven plaatsen. Twee plaatsen bleken verontreinigd te zijn door olie, en zijn vervolgens gesaneerd. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5.9 Milieuklachten De bij CVG geregistreerde externe klachten zijn als volgt te onderscheiden:
1 Deze aantallen zijn optelsommen van de meldingen die zijn binnengekomen bij de milieuklachtentelefoon en bij CVG.. 2 Klachten uitsluitend binnengekomen bij CVG. 3 Acht geurklachten zijn afkomstig van passanten en vallen buiten de definitie van geurhinder zoals opgenomen in de Wet milieubeheervergunning. De milieuklachten berustten in het verleden hoofdzakelijk op de geuroverlast die veroorzaakt werd door de AWZI. De geuremissie ontstaat in de zuurstofarme delen van de biologische trap en de buffertank van de AWZI, doordat anaërobe bacteriën het onaangenaam ruikende waterstofsulfide (H2S) produceren. Door de betere werking van de voorbezinker is ook de kwaliteit verbeterd van het water dat naar de biologische bedden gaat. Hierdoor komt er minder vezelig materiaal mee en ontstaat er minder schimmelgroei in de oxidatiebedden. |
5.10 Milieumeldingen CVG is verplicht om aan de overheid afwijkende situaties te melden, evenals de eventuele effecten daarvan op het milieu en de maatregelen die worden getroffen om herhaling te voorkomen. De aantallen meldingen waren als volgt:
Storing stoominjectie
Overige meldingen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5.11 Milieu-inspecties
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5.12 Milieukosten CVG beschouwt de volgende posten als milieukosten:
De milieukosten worden als volgt onderverdeeld (EUR x 1000):
1 De heffingen op aardgas zijn in 2001 alleen van toepassing op het aardgasverbruik van de infrarooddrooginstallaties 2 Deze installaties zijn in hoofdzaak gebouwd om te voldoen aan milieu-eisen. 3 Exclusief (1) de uren van eigen personeelsleden die milieuzorg niet als hoofdtaak hebben; |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|